23 januari 2026

Heeft Lazarus, of een andere Johannes, Johannes Geschreven?

Introductie

In Johannes 21 staat beschreven wie degene is die het evangelie geschreven heeft, maar de tekst geeft niet direct een naam, alleen een titel:

"En Petrus zag, toen hij zich omkeerde, de discipel volgen die Jezus liefhad, die ook tijdens het avondmaal tegen Zijn borst was gaan liggen en gezegd had: Heere, wie is het die U verraden zal?" - Johannes 21:20

"Dit is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen beschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis waar is" - Johannes 21:24

Degene die het evangelie heeft geschreven is dus "de discipel... die Jezus liefhad". De standaardconclusie is dat dit de apostel Johannes is; daarom staat er ook 'Johannes' boven het evangelie in onze bijbel.

Lazarus?

Terwijl ik bezig ben met een exegese voor mijn opleiding, kom ik hierover een ander standpunt tegen, namelijk dat Lazarus (die Jezus uit de dood had opgewekt) het evangelie van Johannes geschreven zou hebben, omdat van Lazarus expliciet wordt gezegd dat Jezus van hem houdt (Johannes 11:5), en ook zeggen voorstanders dat dit de vraag van Petrus in Johannes 21:21 beter uitlegt:

"21 Toen Petrus deze zag, zei hij tegen Jezus: Heere, maar wat zal er met hem gebeuren? 22 Jezus zei tegen hem: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volgt u Mij! 23 Dit gerucht nu, dat deze discipel niet zou sterven, verspreidde zich onder de broeders. Maar Jezus had niet tegen hem gezegd dat hij niet zou sterven, maar: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan?" - Johannes 21:21-23

Mensen die dit idee aanhangen zeggen hierbij dat Petrus' vraag en het gerucht dat volgt, "dat deze discipel niet zou sterven" logischer is als het gaat over Lazarus, omdat hij al uit de dood was opgewekt. Als het inderdaad over Lazarus gaat, is het niet onlogisch als de discipelen zich afgevraagd hadden: "Hoe zal het nu verdergaan met iemand die uit de dood is opgestaan?".

Geen van deze twee argumenten eist echter de conclusie dat Lazarus 'de discipel die Jezus liefhad' was en dus het evangelie heeft geschreven, en andere argumenten laten zien dat dit duidelijk niet zo is.

Nahhh, niet Lazarus

Ten eerste is er geen enkel bewijs dat Lazarus een discipel van Jezus was, wat wel een vereiste is, aangezien er gesproken wordt over 'de discipel die Jezus liefhad'.

De beschrijvingen in het evangelie van Johannes in het algemeen en van de discipel die Jezus liefhad, laten duidelijk zien dat hij echt behoorde tot de binnenste cirkel van mensen rond Jezus. Hij weet wat de discipelen dachten en onder elkaar zeiden, beschrijft geografische en andere details die alleen een ooggetuige kan weten, eet de paasmaaltijd samen met Jezus en de twaalf (en leunt daarbij op zijn borst), is dicht bij het kruis van Jezus bij Zijn dood en Zijn moeder, wordt door Jezus toevertrouwd om voor haar te zorgen, rent samen met Petrus naar het graf, is bij de verschijningen van Jezus, schrijft dit evangelie, etc. Hij speelt zelfs een meer vooraanstaande rol dan sommigen (anderen) van de twaalf discipelen.

Naast het feit dat er dus in beginsel geen positief bewijs is dat Lazarus een discipel van Jezus was, moeten we ons ook afvragen: als Lazarus zo'n vooraanstaande discipel is, hoe is het dan mogelijk dat we in Mattheüs, Markus, Lukas, Handelingen en de rest van het Nieuwe Testament helemaal niets over hem als discipel lezen? En dan hebben we het nog niet eens over de soortgelijke, absolute stilte vanuit de vroege kerk. Niemand heeft het over Lazarus, 'de discipel'. Dit is geen argument van stilte, maar we moeten simpelweg zeggen dat, als Lazarus echt zo'n belangrijke discipel was, er echt wel ergens anders over hem gesproken moet worden.

Ten tweede wordt Lazarus, nadat hij wordt genoemd in Johannes 11 en 12, nooit meer bij name genoemd. In de rest van de evangeliën gebeurt het nooit dat een discipel met een bepaalde naam na een bepaald punt opeens alleen nog maar met een andere naam of titel wordt genoemd – maar hier zou de naam 'Lazarus' zonder reden moeten worden ingewisseld voor de 'discipel die Jezus liefhad'? Dit is niet uit te leggen en opvallend, vooral omdat de discipel Johannes in de andere evangeliën wel bij name wordt genoemd, maar in dit evangelie niet.

Ten derde wordt vanuit Johannes 11:1, 3, 7, 12, 16, 54 en Johannes 12:12 direct duidelijk dat Lazarus niet hoorde bij de discipelen en ook niet met hen meereisde, maar daar los van staat. Dit, in combinatie met het feit dat de schrijver duidelijk bewijst dat hij een kerndiscipel was door details te benoemen die alleen een ooggetuige zou kunnen weten (zie ook dit artikel¹), sluit in volledigheid uit dat Lazarus dit evangelie heeft kunnen schrijven.

Ten vierde, indien de drie bovenstaande argumenten nog niet genoeg waren, bewijst het externe bewijs in combinatie met Johannes 21:24 tot slot ook nog dat Lazarus dit evangelie niet heeft geschreven. In Johannes 21:24 staat: "Dit is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen beschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis waar is", wat dus duidelijk laat zien dat 'de discipel die Jezus liefhad' die in Johannes 21:20 genoemd wordt degene is die en ooggetuige is, en dit evangelie geschreven heeft. Als dan vervolgens het unanieme getuigenis van de kerkvaders en met name de manuscripten dit evangelie toeschrijven aan Johannes (daar staat bij de titel, als het manuscript deze heeft, altijd "naar Johannes"), moeten we concluderen dat Johannes het ook heeft geschreven, want het is onmogelijk om een verklaring te geven van dit unanieme getuigenis als het evangelie in eerste instantie zonder of met een andere titel gepubliceerd zou zijn.

Ik heb iemand die geloofde dat Lazarus dit evangelie geschreven heeft zien beargumenteren dat deze titel – "naar Johannes" – alsnog juist kan zijn, omdat Johannes dan de publicist van Lazarus geweest zou zijn. Maar ten eerste nodig ik hem uit ons te vertellen wat een publicist in de oudheid eigenlijk gedaan moet hebben (bestonden ze überhaupt?), ten tweede werden werken in de oudheid nooit toegeschreven aan de publicist (nogmaals, wie waren deze publicisten?) en ten derde – in combinatie met het vorige punt – sluit de titel van de manuscripten boven dit en andere evangeliën dit uit, omdat daar in het Grieks staat: "naar [dat wil zeggen, "volgens"] Johannes", wat alleen maar kan slaan op de schrijver die van deze dingen getuigt, ofwel, 'de discipel die Jezus liefhad' van Johannes 21:20 etc.

Een andere 'Johannes'?

Hiernaast bestaat er ergens blijkbaar ook nog de mening dat Johannes Markus, de neef van Barnabas (zie: Kolossenzen 4:10) – of wellicht nog een andere Johannes – dit evangelie geschreven zou hebben.

Nope

Geen van beide kan echter. We weten immers dat de schrijver een kerndiscipel was, zoals ik hierboven al heb beschreven: "Hij weet wat de discipelen dachten en onder elkaar zeiden, beschrijft geografische en andere details die alleen een ooggetuige kunnen weten, eet de paasmaaltijd samen met Jezus en de twaalf (en leunt daarbij op zijn borst), is dicht bij het kruis van Jezus bij Zijn dood en Zijn moeder, wordt door Jezus toevertrouwd om voor haar te zorgen, rent samen met Petrus naar het graf, is bij de verschijningen van Jezus, schrijft dit evangelie, etc.".

In Handelingen 13:5 en 2 Timotheüs 4:11 wordt Johannes Markus beschreven als dienaar van onder andere Paulus, en Petrus noemt hem in 1 Petrus 5:14 zijn zoon, wat bij elkaar bewijst dat hij niet op gelijke voet staat met Paulus en de 12 apostelen. Hij was geen kerndiscipel. Verder wordt bij Johannes Markus zijn tweede naam genoemd, terwijl dit in hetzelfde hoofdstuk niet bij de apostel Johannes gebeurt (zie: Handelingen 12:2, 12, 25). Dat betekent dat de lezers van de vroege kerk wisten dat de simpele titel 'Johannes' in eerste instantie verwees naar de apostel (want hij was immers bekend), en niet naar Johannes Markus.

Naast dit alles is het volgende helemaal sluitend, namelijk dat Jezus 'de discipel die Hij liefhad' aan de ene kant zijn eigen moeder toevertrouwt, maar, als Johannes Markus deze discipel was, aan de andere kant over hem besloten zou moeten worden of hij überhaupt met Paulus en Barnabas mee mag (zie: Handelingen 15:37-38). Nogmaals: Johannes Markus was dus zeker geen kerndiscipel van Jezus.

Maar dan zal een scepticus als laatste nog zeggen: "Hoe weet je dat niet iemand anders met de naam Johannes het evangelie heeft geschreven?". Om te laten zien dat dit een slechte vraag is, zetten we alle argumenten die genoemd zijn nog even op een rijtje:

  • De schrijver was een kerndiscipel, liep tijdens Jezus' hele bediening mee en kende Hem en de discipelen intiem
  • De kerkvaders schrijven het evangelie toe aan de discipel Johannes
  • De manuscripten hebben als titel simpelweg: "volgens Johannes", wat veronderstelt dat de lezers wisten wie dit was
  • Johannes Markus heeft het evangelie niet geschreven
  • Niet in het gehele Nieuwe Testament, noch in al de geschriften van de kerkvaders, noch in enige andere geschiedschrijvingen is er sprake van een andere Johannes die dit evangelie heeft kunnen schrijven

Wij zullen deze vraag dan met meerdere vragen beantwoorden. Als de apostel Johannes dit evangelie niet heeft geschreven, wie is dan deze andere kerndiscipel Johannes, die geheel onzichtbaar is in al de geschiedschrijving die we bezitten? Hoe is het mogelijk dat er in Mattheüs, Markus, Lukas, Handelingen en de brieven geen spoor van hem te vinden is, terwijl hij zo nauw met de andere discipelen en Jezus zelf zou zijn opgetrokken? Hoe kan het dat ondanks het schrijven van het meest literair-uitgebreide evangelie, geen enkele kerkvader over hem vertelt? Is hij soms opgenomen, zoals Henoch of Elia, en daarbij verdwenen uit de herinnering van iedereen die hem kende?

Dit is geen argument van stilte, want er is geen stilte: de manuscripten schrijven het evangelie unaniem toe aan Johannes, het interne bewijs schrijft het evangelie toe aan een kerndiscipel, en de kerkvaders schrijven het evangelie toe aan de kerndiscipel Johannes. Maar terwijl het bewijs dit zegt, wordt nergens een onderscheid gemaakt tussen deze hypothetische andere vooraanstaande Johannes, en Johannes, de zoon van Zebedeüs. Als er twee kerndiscipelen waren die allebei Johannes heetten, zouden we ergens in deze geschriften een onderscheid moeten kunnen vinden – maar dat bestaat niet.

Johannes is gewoon (geschreven door) de apostel Johannes

In andere woorden, voor de vroege kerk was er maar één Johannes: de zoon van Zebedeüs, apostel van onze Heer Jezus Christus, schrijver van het evangelie volgens Johannes. Laat dit voor ons niet anders zijn!

_________________________________________________________

Bronnen

  1. Manning, E. (2024, 14 december). Why Everyone Should Believe That the Apostle John Wrote the Fourth Gospel. Is Jesus Alive? https://isjesusalive.com/why-everyone-should-believe-that-the-apostle-john-wrote-the-fourth-gospel/

12 januari 2026

Zegt Jakobus 2:24 dat een Mens Gered Wordt door Werken?

Introductie

In Jakobus 2:24 staat er dat een mens gerechtvaardigd wordt door werken, niet alleen maar door geloof:

"U ziet dus nu dat een mens uit werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen uit geloof." - Jakobus 2:24

Dit lijkt op het oppervlak in strijd te zijn met wat de rest van de Schrift zegt, namelijk dat wij als mensen gered worden door geloof en niet door werken:

"8 Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand zou roemen." - Efeze 2:8-9

"Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken van de wet." - Romeinen 3:28

De oplossing van Matthew Poole

De oplossing is dat de definities van "geloof" en "gerechtvaardigd" in Jakobus 2:24 anders zijn dan in andere Bijbelgedeeltes, zodat er geen tegenstrijdigheid is. Paulus en Jakobus hebben het over verschillende dingen. De Geest van God heeft dit door onze broeder en Bijbelcommentator Matthew Poole beter uitgelegd dan ik het hier zou kunnen. Dit¹ is wat hij zegt:

"Question. Doth not James here contradict Paul’s doctrine in the matter of justification, Romans 4:1-25?

Answer. The contradiction is but seeming, not real, as will appear, if four things be considered:

1. The occasion of these apostles’ writing, and their scope in it. Having to do with different sorts of persons, they had likewise different designs. As Christ speaks one way when he dealt with proud Pharisees, whom he would humble; another way, when with humble hearers, whom he would encourage. and Paul carried it one way when among weak brethren, in condescension to whose infirmities he circumcised Timothy, Acts 16:2,3; and another, when he was among false brethren, and men of contention, who opposed Christian liberty, seeking to bring believers into bondage, and then would not suffer Titus to be circumcised, Galatians 2:3-5. So in the present affair. Paul’s business lay with false apostles and Judaizing Christians, such as did, in the matter of justification, either substitute a self-righteousness instead of God’s grace, or set it up in conjunction with it; and therefore his scope is (especially in his Epistles to the Romans and Galatians) to show the true cause and manner of justification, and vindicate the freeness of grace in it, by the exclusion of man’s works, of what kind soever; to which purpose he propounds the examples of Abraham and David, in their justification, Romans 4:1-1-25. Whereas James having to do with carnal professors, and such as abused the doctrine of grace to encourage themselves in sin, and thought it sufficient that they had faith, (such as it was), though they did not live like believers, resting in an empty profession, with the neglect of holiness; his design plainly is, to show the effects and fruits of justification, viz. holiness and good works; thereby to check the vanity and folly of them who did thus divorce faith from a holy life, (which God hath joined to it), and fancied themselves safe in the profession of the one, without any respect to, or care of, the other, as appears in this chapter, Jam 2:14,17,26. And because they might bear themselves high in this false confidence by the example of Abraham, their father according to the flesh, and whom Paul had set forth, Romans 4:1-25, as justified by faith, without the concurrence of works to his justification; James makes use of the same example of Abraham, as one eminent for holiness as well as faith, and who made his faith famous by the highest act of obedience that ever a saint did, to show, that faith and holiness ought not to be separated; Abraham’s faith being so highly commended, especially as productive of it. To the same purpose he makes use of the instance of Rahab, who, though a young saint, and newly come to the knowledge of God, yet showed the truth of her faith by so considerable an exercise of her love and mercy to God’s people, as her receiving the spies in peace was. This therefore helps not a little to reconcile the difference between these two apostles. Paul deals with those that magnified works too much, as if they were justified by them, and slighted faith and grace; and therefore, though he frequently shows the usefulness of faith and good works unto salvation, and presseth men every where to the practice of them, yet he proves that they have no interest in the justification of a sinner before God’s tribunal, which he asserts to be wholly and solely of grace, and by faith. But James, in dealing with loose Christians, who magnified faith, and slighted good works, not only as having no influence on justification, but as not necessary at all to salvation; he takes upon him to maintain good works, not as necessary to justification, but as the effects, signs, and evidences of it, and such as without which their faith was vain, and themselves in an unjustified state.

2. Paul and James take faith in different senses: Paul speaks of a true, lively faith, which purifies the heart, and worketh by love, Galatians 5:6. Whereas James speaks of a profession, or presumption of faith, barren, and destitute of good fruits, such a faith as is dead, Jam 2:17, such as the devils may have, Jam 2:19, which is but historical, and consists only in a belief of God’s being, not a consent to his offer, or relying on his promises. What contradiction then is there here between these two apostles, if Paul assert justification to be by faith, viz. a lively, working faith; and James deny it to be by faith, viz. an idle, inactive, barren faith, and which hath only the name, but not the nature of that grace, and is rather the image of faith than faith itself?

3. But because James not only denies justification to the faith he speaks of, but ascribes it to works in this verse; therefore it is to be considered, that justification is taken one way by him, and another by Paul. Paul takes it for the absolution and acceptation of a sinner at God’s bar, by the imputation of Christ’s righteousness, which is the primary and proper notion of justification. But James takes it for the manifestation and declaration of that justification; and the word is taken in the like sense in other scriptures: Luke 7:29, the people justified God, i.e. owned and declared his righteousness by confession of their sins, and submission to John’s baptism; and Luke 7:35, Wisdom is justified, i.e. declared to be just and right. Romans 3:4, justified in thy sayings, i.e. acknowledged and declared to be true in thy word. And what is Christ’s being justified in the Spirit, 1 Timothy 3:16, but his being declared to be the Son of God? Romans 1:4. And that James takes justification in this sense, appears:

(1.) By the history of Abraham here mentioned: he was (as hath been said) justified by faith long before his offering up his son, Genesis 15:1-21, but here is said to be justified, i.e. declared and proved to be so, by this testimony which he gave to the truth of his faith, and consequently to his justification by it; and the Lord therefore tells him, Genesis 22:12, Now I know that thou fearest God, & c.; q.d. By this obedience thou hast abundantly showed the sincerity of thy graces.

(2.) Because if James doth not here speak of Abraham’s being justified declaratively, how can it be true which he speaks, Jam 2:23, that the Scripture was fulfilled (in his sacrificing his son) which saith, He believed God, and it was imputed unto him for righteousness? For if James intends justification in the proper sense, how was Abraham’s being justified by works a fulfilling of the Scripture, which asserts him to be justified by faith? Here therefore again there is no contradiction between these apostles. For it is true, that Abraham was justified, i.e. accepted of God, and absolved from guilt, by faith only; and it is as true, that he was justified, i.e. manifested and declared to be a believer, and a justified person, by his works.

4. Lastly, we may distinguish of the person that is said to be justified; either he is a sinner, in the state of nature; or a believer, in a state of grace; whence ariseth the two-fold justification here mentioned. The justification of a sinner, in the remission of his sins through the imputation of Christ’s righteousness, and acquitting him from the condemnation of the law, is the justification properly so called, and which Paul speaks so much of; and this is by faith only. The justification of a believer, is his absolution from condemnation by the gospel, and the charge of infidelity, or hypocrisy, and is no other than that declarative justification James speaks of, or an asserting and clearing up the truth and reality of the former justification, which is done by good works, as the signs and fruits of the faith, by which that former is obtained: and this is but improperly called justification. The former is an absolution from the general charge of sin, this from the special charge of hypocrisy, or infidelity. A sinner’s great fear (when first awakened to a sense of his sin and misery) is of a holy law, and a righteous Judge ready to condemn him for the violation of that law; and so his first business is to look to Christ by faith for righteousness, and remission of sin. But when he is justified by that righteousness, men may charge him with hypocrisy or unbelief, and so may the devil and conscience too, when faith is weak, or a temptation strong; and therefore his next work is to clear himself of this imputation, and to evidence the truth and reality of his faith and justification in God’s sight, which must be done by producing his obedience and good works, as the indications of his faith; and hereby he proves that he hath indeed closed with the promise of the gospel, and so is clear of the charge of not believing it, which was false; as well as (by consequence) is justified from the charge of sin against the law, which was true. To conclude, therefore, here is no opposition between Paul and James. Paul speaks of Abraham’s being justified as a sinner, and properly, and so by faith only; James speaks of his being justified as a believer, improperly, and so by works; by which not his person was justified, but rather his faith declared to be justifying: nor he constituted righteous, but approved as righteous. In a word, what God hath joined must not be divided, and what he hath divided must not be joined. He hath separated faith and works in the business of justification, and therefore we must not join them in it, as Paul disputes; and he hath joined them in the lives of justified persons, and there we must not separate them, as James teaches. Paul assures us they have not a co-efficiency in justification itself; and James assures us they may, and ought to have, a co-existence in them that are justified. If the reader desire further satisfaction yet, let him consult Turretine de Concordia Pauli et Jacobi, where he may find much more to the same purpose as hath been here said."

Zo blijkt er dus geen tegenstrijdigheid in de Bijbel. Iedereen die gelooft in Jezus zal gered worden, door genade, en niet door werken. Prijs God daarvoor!

________________________

Bronnen

  1. James 2 Matthew Poole’s commentary(z.d.). https://biblehub.com/commentaries/poole/james/2.htm